| Aantekeningen |
- Maria Gherit Willemsz Spruits weduwe heeft bewezen haar zes kinderen, verwekt bij Gherit Willemsz Spruit, haar overleden man, met namen Beertgen, Aleijt, Maria, Margriet, Hillegont en Gheertruit, elk 20 schilden, met nog 50 schilden aan de weeskinderen samen, die Maria heeft ontvangen uit handen van Cornelis Spruit vanwege het testament van Willem Spruit. De weduwe zal de kinderen opvoeden en onderhouden tot hun mondige dagen. Als onderpand geldt 2 morgen eigen land en 5 morgen bruikland, eigendom van de Heiligegeest van Utrecht.
Bron: RHC RL, ORA Montfoort, (beheersnr. M017), inv.nr. 107, fol. 53v, d.d. 22-01-1505
---
Jan Willem Spruijtsz heeft aangenomen op rente van Willem Vrijessen weeskinderen, te weten Huijch, zijn zoon, Margriet, Marrichgen en Jannichgen, Willems dochters, 100 schild met 6,25% rente. Borg zijn Heijnrick Dircksz Obijn en Cornelis Willem Spruijtsz.
Bron: RHC RL, ORA Montfoort, (beheersnr. M017), inv.nr. 107, fol. 77, d.d. 13-00-1516
---
Mertgen Bouwen Spruijts weduwe geeft bewijs van de uitkoop van haar kinderen met namen Hubert en Adriaen Bouwen Spruijtsz zonen, Grijtge, Neeltge, Neeltge, Annaetge en Mertgen Bouwen Spruijtsz dochters. Elk kind krijgt 25 Hollandse schilden. De weduwe zal de kinderen opvoeden en onderhouden tot hun mondige dagen. In het bijzijn van Cornelis Spruijtsz, oom en voogd van de voornoemde kinderen. Als onderpand geldt een huis, hofstede en bruikweer, waar de weduwe op woont.
Bron: RHC RL, ORA Montfoort, (beheersnr. M017), inv.nr. 107, fol. 107v, d.d. 29-06-1526
[Het huis, hofstede en bruikweer, gelegen in de Vrouwenbuurt onder Linschoten, zijn onderpand bij een lening van Hubert Bouwensz Spruijt van zijn vier zussen, met namen Cornelia de oudste, Anna, Cornelia de jongste en Maria; inv.nr. 108, fol. 29v, d.d. 21-04-1545.]
---
Cornelis Jan Meeusz, wonende op de Haar, heeft bewezen aan zijn drie kinderen, verwekt bij zijn overleden vrouw Zwana Govertsdr, met namen Heijlwich, Hillegont en Maria, ieder 100 gouden kronen. Hij zal de kinderen opvoeden en onderhouden. Borgen zijn Willam Jansz, Willam Florisz en Cornelis Willamsz Spruijt.
Bron: RHC RL, ORA Montfoort, (beheersnr. M017), inv.nr. 107, fol. 54, d.d. 27-01-1508
---
Linschoten
194B. Een viertel, (1629: groot 4½ morgen), gemeen met nr. 194A, (1604: strekkend van de halve sloot van de Hoge polder tot de noordzijde van de landscheiding van Lange Linschoten), zuid (1535: Jacob Cornelisz.; 1561: Hendrik Jansz.; 1604: Simon Pietersz.; 1633: Hendrik Antonsz.), noord (1535: Dirk Arnoutsz. Obijn; 1561: Elisabeth, weduwe van Arnout Dirksz. Obijn; 1604: Arnout Dirksz. Obijn; 1633: Floris van Alkemade).
13-4-1520: Dirk Gerardsz. alias Kleuser bij overdracht door Arnout Gerardsz. Koorntje, waarna overdracht aan Cornelis Willemsz. Spruit, te versterven in de boedel met f 200.- filips, 286 fol. 10v.
16-3-1535: Pieter, derde zoon van Cornelis Spruit, bij overdracht door zijn vader, bevestigd door Albert, diens oudste zoon, 286 fol. 11, 288 fol. 90.
9-8-1540: Pieter Cornelisz. Spruit, 288 fol. 90.
Bron: Repertorium op de lenen van de hofstede Montfoort, 1362-1649 door J.C. Kort
---
Linschoten
215. 2 morgen land in de Polre (1626: gemeen met 9 morgen van Gijsbert van Hardenbroek en mr. Johan Strick), boven: Gerard van Eycke (1622: weduwe en kinderen Albert Gozewijnsz.), beneden: Gijsbert die Gruter (1610: Marietje Jansdr., weduwe Jan Hendrik Hugenz.), (1626: oost: erven Hendrik Nikolaasz. Spruit, west: Jan Jansz.).
8-8-1540: Nikolaas Cornelisz. bij overdracht door Cornelis Willemsz., zijn vader, 288 fol. 89.
4-3-1567: Cornelis Nikolaasz. bij dode van Nikolaas Cornelisz., zijn vader, 288 fol. 89, 290 fol. 163.
18-4-1594: Hendrik Spruit Nikolaasz. voor Nikolaas Spruit, zijn neef, bij dode van Cornelis, diens vader, 290 fol. 163.
13-5-1610: Albert Gozewijnsz. bij overdracht door Nikolaas Spruit Cornelisz. met lijftocht van Elisabeth Cornelisdr., zijn vrouw, 290 fol. 163.
Bron: Repertorium op de lenen van de hofstede Montfoort, 1362-1649 door J.C. Kort
---
Linschoten Polre [Polder]
[Fol. 368v] Cornelis Willemsz Spruijt bruijckt vj5 mergen lants erffpachts bij eede tsjaers den mergen om xxiiij st. facit iij out schilt xxx st.
Nu Henrick Claesz
Noch bruijckt Cornelis voorsz twee mergen leengoets bij eede tsjaers den mergen j gouden gul. facit j out schilt xiiij st.
Nu Aelbert Goessensz
Noch bruijckt Cornelis voorsz acht mergen lants hem selver toebehorende bij eede die mergen j gouden gl. facit v out schilt xiiij st.
Nu Aelbert Goessensz
Linschoter Haar
[Fol. 438v] t’Bagijnhoff vier mergen lants, bruijckt Cornelis Willemsz Spruijt tsjaers om iij out schilt xiiij st.
Den eijgen blijft, nu bruijcker Henrick Claesz Spruijt
Noch bruijckt Cornelis voorsz anderhalve mergen erffpachts, bij eede tsjaers om j out schilt
Nu eijgenaer ende bruijcker Henrick Claesz Spruijt
[Fol. 439] Noch bruijckt Cornelis voorsz xvj5 mergen lands, hem selver toebehorende, bij eede die mergen j gouden gul. facit xj out schilt
Nu eijgenaers ende bruijckers Henrick Claesz Spruijt van iij5 mergen, ende Pieter Pietersz Spruijt xiij mergen
Bron: Oudschildgeld 1600
|