| Aantekeningen |
- 30-7-1566: Lijbe Gielis Harmansz weduwe geeft consent aan Heijnrick Brenincxsz om een huisje te timmeren volgens de koopcedul. Zij zal hem daarvoor 100 gulden kwijtschelden van de kooppenningen.
RHCRL, ora Benschop 214 (FS scan 76/397).
14-6-1570: Heijnrick Brenincxsz als man en voogd van IJchgen, Wouter Aertsz als man en voogd van Hillichgen, Marichgen Jelis Harmansdr met Jan Jansz, haar zoon en gekozen voogd, en Cornelis Gerritsz en Jacob Neel Foppen als voogden van de weeskinderen van Willem Jelisz, als mede-erfgenamen van Lijbe Gielis Harmansz weduwe, machtigen Job Petersz, Jan van den Zevender, Dirck Francken Vermij en Jan Heijnricksz van Merden(?) om zaken waar te nemen.
RHCRL, ora Benschop 215 (FS scan 248/397).
14-6-1570: Wouter Aertsz als man en voogd van Hillichgen Jelisdr, en Marichgen Jelisdr met Jan Jansz, haar zoon en gekozen voogd, transporteren aan Heijnrick Brenincxsz een erfpachtbrief van 150 gulden die Gielis Harmansz had spreken op Pouwels van Eestheren en zijn erven.
RHCRL, ora Benschop 215 (FS scan 249/397).
14-6-1570: Heijnrick Brenincxsz is 103 gld. 9 st. schuldig aan de weeskinderen van Harman Jelisz, vanwege de scheidingscedul van 17-5-1570. Het gerecht stelt een brief op vanwege de hoofdsom van 432 gulden die voornoemde Heijnrick schuldig was aan Lijbe Gielis Harmansz weduwe.
16-7-1570: De rentebrief met de hoofdsom van 432 gulden is in handen van Anna Franck Egbertsz weduwe.
RHCRL, ora Benschop 215 (FS scan 249/397).
16-8-1570: Heijnrick Brenincxsz is 122 gld. 19 st. schuldig aan Anna Franck Egbertsz weduwe. Anna moet rekening en bewijs doen van het gebruik van 9 morgen land, zoals de comparant dat gedaan heeft van 550 gulden, wat hij aan de boedel van Lijbe Gielis Harmansz weduwe schuldig was.
24-8-1571: Met consent van Heijnrick Brenincxsz heeft Anna Franck Egbertsz weduwe, samen met haar zoon Egbert, het geld ontvangen van Franck Cornelisz.
RHCRL, ora Benschop 215 (FS scan 251/397).
16-11-1579: Idem impt. [Sebastiaen Matheusz wonende in Capel] contra Willem Henricxz, Schrevel Henricxz erffgen. haers vaders ende den voorsz. Screvel als voocht ende toesiender over tnagelaten kijnt van Adriaen Henricxz alle erffgen. van Henrick Brenincxz gede. eijsch doende ende te kennen ofte ontkennen des voorsz. Henrick Brenincxz obl[igat]ie van date den 6en augusti 1579.
HUA, Hof van Utrecht 154-3 (bestand 355+356/497).
23-11-1579: Sebastiaen Matheusz in Cappel impt. contra Willem Henricxz ende Screvel Henricxz erffgen. haers vaders ende den voorsz. Screvel als voocht ende toesiender over tnagelaten kijnt van Adriaen Henricxz alle erffgen. van Henrick Brennincxz gede. eijsch doende.
HUA, Hof van Utrecht 154-3 (bestand 455/497).
1-12-1579: Herman Geerloffsz impt. contra Maricken Henrick Brennincxz wedue als boedelharster gede. eijsch doende ende te kennen ofte ontkennen haer mans oblie. [obligatie] in date den 3e januarij 75.
HUA, Hof van Utrecht 154-3 (bestand 491/497).
17-4-1581: Peter Thonisz als momber over Thonis ende Cunera kijnderen van za. Jan Hermansz impt. contra Willem Henricz in Capel zoe hij geroepen is gedaechde. Gesien t'proces tusschen Peter Thoenisz als momber over Thonis ende Cunera kijnderen van za. Jan Hermansz impt. ter eenre, ende Willem Henricxz in Capel zoe hij geroepen es gede. ter andere zijden, t'hoff mits bijden voorn. impetrant den ged[aechd]en cederende het recht dat hij heeft jegens Gerrit Fransz, Adriaen de Leuw, mitsgaders Jacob Jansz ende haerluijden erffgen. condempneert den selven ged[aechd]en den impt. op te leggen ende betalen drije jaren lijffrenten in questie des siaers 12 gulden 10 st. waer van het leste verschenen es in febr. 1578 ende die noch zullen moegen verschijnen geduijrende het leven vanden voorn. Thonis ende Cunera, ofte tot dat d'afflossinge gedaen zal zijn. Condempnerende mede den ged[aechde]n voor die voorsz. jaerlicxe lijffrenten te doen behoorlicke vestenisse vuijt goet vrij eijgen goet daer toe suffisant zijnde
Dezelfde impetrant en gedaagde. Op 22-1-1571 hadden Gerrit Fransz, Adriaen de Leeuw en Jacob Jansz en willekoor gepasseerd ten behoeve van de impetrant als voogd van voornoemde kinderen van Jan Hermansz, ter waarde van 112 gulden 10 stuivers, met de belofte om de helft van dit bedrag binnen een jaar terug te betalen. Vervolgens wilden die personen het geld houden op lijfrenten, ten lijve van de twee kinderen. Dat is gebeurd, mits dat voor de rente borg zou staan Cornelis Henricxz, broer van voornoemde Willem Henricxz, en dat er een fatsoenlijke rentebrief gepasseerd zou worden. Inmiddels is Cornelis Henricxz overleden, zonder kinderen na te laten, waardoor zijn goederen zijn vererfd op Henrick Brenincxz, zijn vader, inmiddels ook overleden. Gerrit Fransz, Adriaen de Leuw en Jacob Jansz zijn "geheel insolvent". Na het overlijden is de rentebrief bij Willem Henricxz, zijn zoon en erfgenamen, terecht gekomen. Ter vergoeding van 2,5 jaar aan rente is door Willem Henricxz een paard geleverd. Door de troebe
HUA, Hof van Utrecht 188-9 (bestand 232/534).
|