| Aantekeningen |
- NA ’s-Gravenhage (11:81 dd 20-7-1624) Jacob Gerrits Bleijcker is borg voor Dirck Pieters Tol, die aan Judith Hendricx fl.580 te betalen heeft vanwege een boete, waartoe hij veroordeeld is.
NA ’s-Gravenhage (197:50 dd 26-7-1649) Door inktschade lastig leesbaar: X ten behoeve van Judith Hendricx en Judith Hendricx zelf leggen een verklaring af over een zilveren lepel.
NA ’s-Gravenhage (213:270 dd 19-5-1650) Robbert du Harlingh meestersmid en Nicolaas vander Brugge als principaal en borg, beloven aan (niet ingevuld) of toonder fl.200 Caroli op pand van hun bezittingen
NA ’s-Gravenhage (181:340 dd 12-4-1652; moeilijk leesbaar) Robbert Harleijn, meester slotenmaker, echtgenoot van Judith Hendricks, verklaart met? Jan Willem Linde(mever?) dat Jacomijntje Franse, weduwe Arent Jans van Bock (?) altijd een fatsoenlijkhuishouden gevoerd heeft.
NA ’s-Gravenhage (322:140 dd 10-3-1655) Mr Hendrick van der Meulen, chirurgijn te Rijswijk, verkoopt aan Cornelis du Harlijn, idem te idem, een obligatie van fl.100 ten laste van Arie Claasen bakker en Pieter N. als borg, gedateerd 7-12-1669.
NA ’s-Gravenhage (322:142 dd 11-3-1655) Mr Hendrick van der Meulen, chirurgijn te Rijswijk, verkoopt aan Cornelis du Harlijn, idem te idem, zijn medicamenten en toebehoren voor fl.188, met een betalingsregeling.
NA ’s-Gravenhage (410:335 dd 17-4-1658) Robbert du Harlingh verkoopt aan Jan Guldemont de jonge een stukje erf groot drie roedeboeten in het vierkant achter zijn huis aan de Langegracht voor fl.22,50.
NA ’s-Gravenhage (379:14 dd 29-1-1663, nauwelijk leesbare print) Robbet du Harlingh aan Jan N.N., verhuur huis aan de Langegracht tot 1665 voor fl.145 per jaar.
NA ’s-Gravenhage (186:55 dd 2-4-1664) Juijdic Hendricx huisvrouw van Robbert du Harlingh, oud 75 jaren, verklaart op verzoek van Arent van Straeten, vleeshouweer, dat zij op 14-10-1663 des zondagochtends rond 0800 in Arents huis was en daar een pachter met ander volk zag, die vroeg “heeft u niet meer vlees dan wat hier hangt”- waarop de slager zei “neen, ik heb gisteren een half lam geleend (?) van Willem van Teijlingen, hetgeen ik tekort kom?” (?)
NA ’s-Gravenhage (186:254 dd 27-8-1665) Robbert en Judith testeren op de langstlevende; vervangt een testament van (26-1-1651 bij Warmenhuijzen?); Neetje uit het eerste bed wordt vermeld met een extra legaat van 76 (?) gulden, verder delen alle kinderen uiteindelijk gelijk.
NA ’s-Gravenhage (272:182 dd 15-5-1660) Philips van Leeuwen is schuldig aan Judith Hendricks fl.600 voor ongeleverde goederen die hij belooft te restitueren aan Judith of haar erven met interest; borg is zijn zoon Sent (=Vincent).
NA ’s-Gravenhage (447:50 dd 10-2-1671) Judith Hendricxs weduwe met Floris van Tongeren, meester beeldhouwer, en Johan Louckers, notaris, volgens akte van 13-1-1671 en met toestemming van de schepenen dd. 2-2-1671, verkoopt aan Meijndert van Soe(st)bergen, bode van de Staten van Holland, een rijtje huizen aan de Lange Gracht, met dien verstande dat Judith daar de rest van haar leven met haar dochter mag blijven wonen in de kamer die ze nu bewoont. Prijs: fl.5150, waarvan fl.3150 direct aan deaflossing van schulden wordt besteed.
NA ’s-Gravenhage (447:52 dd 10-7-1671) Judith geeft Van Tongeren en Louckers permissie de huizen aan Van Soestbergen over te dragen.
NA ’s-Gravenhage (447:136 dd 7-5-1671) Judith geeft Van Tongeren en Louckers (nogmaals) procuratie voor haar op te treden inzake de overdracht van huizen aan Van Soestbergen.
NA ’s-Gravenhage (448:13 dd 13-1-1672) Judith benoemt Van Tongeren en Louckers tot uitvoerders van haar testament en bezorgers van haar lichaam.
NA ’s-Gravenhage (473:340 dd 4-3-1677) Judith maakt de boedel op die haar man bij zijn overlijden naliet; belangrijkste item naast huisraad en dieren was de reeks huizen; verder nog een lening van fl.500 waarop 150 terugontvangen was.
NA ’s-Gravenhage (910:149 dd 31-3-1678) Juffrouw Maria Kunst, huisvrouw van Jan de Vries, kwartiermeester van een compagnie ruiters, verklaart ten verzoeke van de weduwe en kinderen van Martinus du Harlingh, meestersmid, dat zij een vrouw genaamd Sibille wonend in het Hofje van Nieuwkoop kort geleden tweemaal heeft horen verklaren dat zij voor Judith Hendricx, moeder van Martinus, enig zilverwerk en “webbe linden” “om geld verzet” had.
NA ’s-Gravenhage (474:141 dd 3-5-1679) Judith Hendricks, weduwe etc., geeft procuratie aan Willem Schuijtskil, advocaat, om voor haar een proces te voeren tegen de weduwe en kinderen van Martinus du Harlingh.
Ook nog niet nagezien: RA Den Haag 5,fol 839, 8-10-1683, haar nalatenschap (met meer schulden dan baten). Op 15-5-1682 ook al dood (Prometheus X:151)
Bron: http://www.siskens-van-heijst.nl
---
Robbrecht du Harlijn en Judith Henricxdr, echtelieden, inwoners van 's-Gravenhage, beiden gezond, maken hun testament op. Du Harlijn heeft geprelegateert aan den armen een rosenobel in specie. Judith Henricxdr heeft gelegateert aan haar broers Abraham Henricxz een rijksdaalder en aan Henrick Henricxz een rosenobel. Du Harlijn benoemt tot erfgenamen, mocht hij geen kinderen verwekken bij voornoemde Judith Henricx, Aeltgen du Harlijn, zijn dochter verwekt bij Lijntge Dircxdr, zijn laatst overleden huisvrouw, en Judith Henricxdr, zijn tegenwoordige huisvrouw, elk voor een gerechte helft. Mocht Aeltgen eerder overlijden, dan vervalt haar erfdeel aan zijn huisvrouw. Judith Henricxdr benoemt tot erfgenaam, mocht hun huwelijk kinderloos blijven, haar man Robrecht du Haerlijn. Mocht hij eerder overlijden, dan vervalt zijn erfdeel aan zijn dochter Aeltgen.
Bron: GA Den Haag, ONA Den Haag (toegangsnr. 0372-01), inv.nr. 9a, fol. 162, d.d. 26-01-1626
---
Sara Bartolomeeus, weduwe van Pieter Melisz, en Adriaen Servaesz bakker, beiden van competente ouderdom, wonende in Den Haag, verklaren op het verzoek van Robbert Harlingh mr. smid, wonende mede in Den Haag. Ze heeft Trijn, huisvrouw van Laurens Commens diverse malen horen zeggen dat de huisvrouw van de requirant 's nachts om 12 uur gestolen ijzer heeft gekocht van twee personen, de ene klein en de andere groot, de ene met kolder en de andere zonder kolder.
Bron: GA Den Haag, ONA Den Haag (toegangsnr. 0372-01), inv.nr. 164, fol. 294, d.d. 24-04-1642
|